Dwangstoornissen

Neurofeedback trainingen bij Dwangstoornissen:

  • Effectief bij 24,0% tot 64,2%, bij een afname van 15 | 20+ sessies.

Vaste gewoontes en routinehandelingen zijn normale verschijnselen. Veel mensen wassen voor het eten hun handen en controleren bijvoorbeeld voor vertrek of het gas uit is en de deur op slot. Ook als iemand dit in een bepaalde situatie tweemaal doet, is dat normaal. Als mensen een groot deel van de dag met dergelijke handelingen bezig zijn en angst en onveiligheid hun leven gaan beheersen, spreken we echter van een dwangstoornis of obsessief-compulsieve stoornis. Bij een dwangstoornis is sprake van dwanggedachten (obsessies) en/of dwanghandelingen (compulsies).

Bij dwanggedachten dringen terugkerende gedachten of voorstellingen zich op aan de persoon. Deze beleeft dit als misplaatst en beangstigend. Door dwanghandelingen steeds opnieuw uit te voeren tracht betrokkene de dwanggedachten te neutraliseren of te stoppen en de angst en onrust te verminderen. Dwanghandelingen kunnen ook in gedachten plaatsvinden.
Sommige mensen hebben vele uren per dag last van de klachten. Er kan vertraging optreden bij bijvoorbeeld het huis verlaten omdat steeds opnieuw gecontroleerd moet worden of het gas wel uit is en of alle ramen en deuren wel op slot zijn. Iemand kan zich bijvoorbeeld ook overdreven gaan wassen of het huis overdreven gaan schoonmaken. Ook kan een persoon het contact vermijden met bepaalde voorwerpen of bezoek verzoeken om een schoonmaakritueel te ondergaan. Bij anderen uit de dwangstoornis zich in verzameldwang, uit angst waardevolle dingen weg te gooien.

Kenmerken van dwangstoornissen 
Al in de kindertijd en pubertijd ontstaat in ongeveer de helft van de gevallen dwangstoornis. Uit onderzoek bij tweelingen blijkt dat er een sterke erfelijke factor (45% – 65%) is verbonden aan dwang die in de kindertijd ontstaat. Dwang die in de kindertijd is begonnen komt meer binnen families voor waarbij biologische factoren waarschijnlijk een grotere rol spelen. In deze groep komt het vaak samen met Tic-stoornissen en ADHD. Bovendien komt het meer voor bij jongens dan bij meisjes.

Behandelingen
Een combinatie van Cognitieve Gedrags- Therapie (CGT) en CGT en medicatie zijn de eerste keuzes bij behandeling. Van de behandelde patiënten reageert een vrij groot gedeelte hier echter niet of slechts gedeeltelijk op.

Neurofeedback blijkt effectiever te zijn.
Bij het trainen met neurofeedback worden de frequenties waar bovenmatige turbulentie gesignaleerd. Door negatieve terugkoppeling te geven dmv muziek of beeld, reageert ons brein met het zoeken naar een nieuwe balans. Zowel kinderen als volwassenen reageren zeer positief op neurofeedback trainingen. Met name bij kinderen treedt na een beperkt aantal sessies treedt verbetering in.

Een voorbeeld, jongen 3 jaar
Hij heeft last van angsten en dwanggedachten. Verder slaapt hij licht, droomt veel en is erg gevoelig voor veranderingen en drukte. Veilig op moederschoot krijgt hij zijn eerste training. Er wordt een Barbapappa filmpje afgespeeld. Gaandeweg wordt hij al rustiger. Bij de tweede sessie is hij nog steeds een beetje angstig maar durft wel alleen in de stoel. Na de vierde sessie zien we een ander ventje. Uit zichzelf vertellend gaat hij rustig in de stoel zitten, is niet meer bang en kijkt af en toe ondeugend rond. Niet alleen de moeder en ik zien verandering, ook de omgeving en de leidsters op de peuterspeelzaal.

Achterliggende oorzaken
Technieken zoals MRI, waarmee scans gemaakt kunnen worden van het levende en actieve brein hebben voor toenemende kennis gezorgd. Er is gevonden dat een bepaald circuit van hersengebieden, genaamd het corticale-striatale-thalamische circuit, betrokken is bij dwangmatig gedrag. Binnen dit circuit wordt onderscheid gemaakt tussen de zogenaamde ‘motorische’ delen die zorgen voor het uitvoeren van een actie en de ‘limbisch associatieve’ delen die zorgen voor motivatie om een actie uit te voeren. Kort samengevat zorgt het circuit ervoor dat een bepaalde stimulus of ‘trigger’ uit de omgeving leidt tot de juiste respons. Er wordt gedacht dat er bij dwang een verstoorde samenwerking plaatsvindt tussen gebieden in dit circuit, waardoor er een versterkte stimulus-respons relatie ontstaat die niet nuttig, maar juist enorm vervelend en beperkend is voor de patiënt.

Binnen het bovengenoemde circuit spelen bepaalde stofjes een rol, de ‘boodschappers van het brein’, ook wel neurotransmitters genoemd. De belangrijkste neurotransmitters binnen dit circuit zijn glutamaat en GABA. Er zijn diverse aanwijzingen dat de hoeveelheid glutamaat in bepaalde gebieden verstoord is bij dwang patiënten. Het is echter nog niet precies duidelijk of dit echt de directe oorzaak is van de gedragingen of misschien een gevolg of bijverschijnsel. Aangezien dwang in de kindertijd sterk erfelijk bepaald is (45-65%), is er ook gezocht naar specifieke genen die de stoornis veroorzaken. Er is tot nu toe nog geen bewijs dat 1 bepaald gen de boosdoener is, maar er zijn wel verbanden gevonden tussen dwang en meerdere genetische variaties die allemaal een kleine invloed zouden hebben.

Bron: Sophie Akkermans MSc, PhD student Developmental Neuropsychiatry Radboud UMC Cognitive Neuroscience / Donders Centre for Cognitive Neuroimaging.